migrant
zelfstandig naamwoordBetekenis
- iemand die migreert, een landverhuizer
- buitenlandse werknemer
- allochtoon
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| migranten | meervoud |
| migrantje | verkleinwoord, enkelvoud |
| migrantjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘die naar een ander land verhuist’ voor het eerst aangetroffen in 1956
Woordfamilie van migrant
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| migranten | meervoud | migrant |
| migrantje | verkleinwoord | migrant |
| migrantjes | verkleinwoord meervoud | migrant |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van migrant zijn vastgelegd.