midwinter
zelfstandig naamwoordBetekenis
- periode van het midden van de winter
- kerst; de periode van kerstavond tot en met tweede kerstdag
- joelfeest; Germaans feest, gevierd in de dagen rond de winterzonnewende
- joul, karst, karsttied, kìrst, kìrsttied
- joul
- Christfest, joel, joul, juul, juulfeest, juultyd, kaarst, käärstmissen, karsemes, karst, kärst, karsttied, kas, kasfees, kast, kastdaegen, kastfeest, kastmis, kerst, kìrst, kìrsttied, mirreweenter, Wiehnacht, Wiehnachten, Wiehnachtstied, wienachten, wienachtstied
- joel, joul, juul, Juulfest
- karst, kas, kast, joel, juul, juulfeest, juultyd
- joel, juul
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| midwinters | meervoud |
| midwintertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| midwintertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van mid en winter
Woordfamilie van midwinter
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| midwinters | meervoud | midwinter |
| midwintertje | verkleinwoord | midwinter |
| midwintertjes | verkleinwoord meervoud | midwinter |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van midwinter zijn vastgelegd.