messchede
zelfstandig naamwoord /ˈmɛssxedə/Betekenis
- een nauwsluitende houder waarin het lemmet van een mes ter bescherming opgeborgen wordt
- een marien tweekleppig weekdier, met een geheel rechte schelp
Hoe spreek je messchede uit?
/ˈmɛssxedə/
Messchede bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| ɛ | bed |
| s | sok |
| x | acht |
| e | veel |
| d | dak |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- Solen marginatus een marien tweekleppig weekdier, met een geheel rechte schelp
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| messcheden | meervoud |
| messchedes | meervoud |
| messchedetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| messchedetjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van mes en schede
Woordfamilie van messchede
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| messcheden | meervoud | messchede |
| messchedes | meervoud | messchede |
| messchedetje | verkleinwoord | messchede |
| messchedetjes | verkleinwoord meervoud | messchede |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van messchede zijn vastgelegd.