merker
zelfstandig naamwoord ˈmɛrkərBetekenis
- natuurlijk of kunstmatig karakteristieke patroon in het dna waaruit de aanwezigheid van bepaalde erfelijke eigenschappen blijkt
- iemand wiens taak het is een merkteken aan te brengen
- iemand die bij een wedstrijd standen bijhoudt
- cursor
Hoe spreek je merker uit?
/ˈmɛrkər/
Merker bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| ɛ | bed |
| r | rood |
| k | kat |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| merkers | meervoud |
Herkomst
afgeleid van merken ww met het achtervoegsel -er **[1] leenvertaling van Engels marker **[3] leenvertaling van Frans marqueur en Duits Merker
Woordfamilie van merker
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| merkers | meervoud | merker |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van merker zijn vastgelegd.