materieel
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- wat nodig is aan gereedschappen, machines enz. voor werk of bedrijf dus niet de grondstof (terminologie met name gebruikelijk bij het leger, de politie, brandweer)
- benodigdheden, met name rollend ... zoals locomotieven, rijtuigen etc.
- betrekking hebbend op materiaal of materialen
- feitelijk, werkelijk
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘stoffelijk’ voor het eerst aangetroffen in 1824
Woordfamilie van materieel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| materieels | woordvorm | materieel |
| materieelst | woordvorm | materieel |
| materieelste | woordvorm | materieel |
| materiële | woordvorm | materieel |
| materiëler | woordvorm | materieel |
| materiëlere | woordvorm | materieel |
| materiëlers | woordvorm | materieel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van materieel zijn vastgelegd.