matelot
zelfstandig naamwoordBetekenis
- lage, cilindervormige strooien hoed met platte rand
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| matelotje | verkleinwoord, enkelvoud |
| matelotjes | verkleinwoord, meervoud |
| matelots | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans. In het Nederlands alleen gangbaar in de metonymische betekenis van ‘strooien hoedje’, voor het eerst aangetroffen in het jaar 1910
Woordfamilie van matelot
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| matelotje | verkleinwoord | matelot |
| matelotjes | verkleinwoord meervoud | matelot |
| matelots | meervoud | matelot |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van matelot zijn vastgelegd.