marskramer
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een verkoper van kleine artikelen, die hij in een rugkorf of mars vervoert en waarmee hij platteland en steden afreist om zijn waar op markten en kermissen en van huis tot huis te verkopen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| marskramers | meervoud |
| marskramertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| marskramertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘verkoper langs huis’ voor het eerst aangetroffen in 1729
Woordfamilie van marskramer
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| marskramers | meervoud | marskramer |
| marskramertje | verkleinwoord | marskramer |
| marskramertjes | verkleinwoord meervoud | marskramer |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van marskramer zijn vastgelegd.