manche
zelfstandig naamwoord ˈmɑ̃ʃ(ə)Betekenis
- deel van een wedstrijdreeks
- ronde die met een bepaald hoog puntental wordt afgesloten en daarom een extra waardering oplevert
- sommige; een onbepaald, meestal klein aantal.
- hecht, handgreep, steel
- stuurknuppel
- de hals van een snaarinstrument
- brekebeen, stoethaspel
- idioot, kluns, sufkop
- knuppel, stijve
- mouw
- deel van een wedstrijdreeks, een ronde, set
- een slang, voor gas of water
- zee-engte, zeestraat
Hoe spreek je manche uit?
/ˈmɑʃə/
Manche bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| ɑ | bad |
| ʃ | sjaal |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Klinkt hetzelfde als mancheje.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| mancheje | verkleinwoord, enkelvoud |
| manchejes | verkleinwoord, meervoud |
| manches | meervoud |
| manchetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| manchetjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
van Frans manche "deel van een wedstrijdreeks", als term bij het kaartspel whist aangetroffen vanaf 1887 en daarna figuurlijk als sportterm in 1889 (zie vindplaatsen hieronder)
Woordfamilie van manche
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| mancheje | verkleinwoord | manche |
| manchejes | verkleinwoord meervoud | manche |
| manches | meervoud | manche |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van manche zijn vastgelegd.