majesteit
zelfstandig naamwoord, tussenwerpselBetekenis
- glorieuze verhevenheid
- een vorst of vorstin waaraan als titel 1 wordt toegedicht
- aanspreektitel van een koning of koningin
zelfstandig naamwoord
- een vorst of vorstin waaraan als titel [1] wordt toegedicht
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| majesteiten | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘heerlijkheid’ voor het eerst aangetroffen in 1573
Woordfamilie van majesteit
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| majesteiten | meervoud | majesteit |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van majesteit zijn vastgelegd.