maatjesharing
zelfstandig naamwoord ˈmacəsˌharɪŋBetekenis
- Nederlandse benaming voor de eerste, jonge haring van het seizoen die geschikt is voor consumptie, Hollandse Nieuwe
Hoe spreek je maatjesharing uit?
/ˈmacəsˌharɪŋ/
Maatjesharing bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| a | maan |
| c | tientje |
| ə | de |
| s | sok |
| h | hoed |
| r | rood |
| ɪ | pit |
| ŋ | ding |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| maatjesharingen | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘haring waarbij hom of kuit nog niet ontwikkeld is’ voor het eerst aangetroffen in 1599
Woordfamilie van maatjesharing
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| maatjesharingen | meervoud | maatjesharing |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van maatjesharing zijn vastgelegd.