licentiaat
zelfstandig naamwoordBetekenis
- academicus die de bevoegdheid heeft om tot doctor te promoveren
- waardigheid, graad van licentiaat
- studiejaren, besteed aan het behalen van de graad van licentiaat
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| licentiaatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| licentiaatjes | verkleinwoord, meervoud |
| licentiaten | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het middeleeuws Latijn, in de betekenis van ‘gegradueerde’ voor het eerst aangetroffen in 1560
Woordfamilie van licentiaat
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| licentiaatje | verkleinwoord | licentiaat |
| licentiaatjes | verkleinwoord meervoud | licentiaat |
| licentiaten | meervoud | licentiaat |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van licentiaat zijn vastgelegd.