levensgemeenschap
zelfstandig naamwoordBetekenis
- het tezamen leven van een groep dierlijke of plantaardige organismen in een bepaald gebied
- samenhangende groep mensen waarin solidariteitsgevoelens en collectiviteitsbesef aanwezig zijn
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| levensgemeenschapje | verkleinwoord, enkelvoud |
| levensgemeenschapjes | verkleinwoord, meervoud |
| levensgemeenschappen | meervoud |
Herkomst
samenstelling van leven en gemeenschap met het invoegsel -s-
Woordfamilie van levensgemeenschap
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| levensgemeenschapje | verkleinwoord | levensgemeenschap |
| levensgemeenschapjes | verkleinwoord meervoud | levensgemeenschap |
| levensgemeenschappen | meervoud | levensgemeenschap |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van levensgemeenschap zijn vastgelegd.