leesplank
zelfstandig naamwoord ˈlesplɑŋkBetekenis
- een plank(je) met richels waarop, onder afbeeldingen, met losse letters woorden gevormd moeten worden teneinde hiermee vertrouwd te raken
Hoe spreek je leesplank uit?
/ˈlesplɑŋk/
Leesplank bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| e | veel |
| s | sok |
| p | pak |
| ɑ | bad |
| ŋ | ding |
| k | kat |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- klein houten vlak met richels waarop, onder afbeeldingen, met losse letters woorden gevormd moeten worden teneinde hiermee vertrouwd te raken
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| leesplanken | meervoud |
| leesplankje | verkleinwoord, enkelvoud |
| leesplankjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van lees ww en plank
Woordfamilie van leesplank
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| leesplanken | meervoud | leesplank |
| leesplankje | verkleinwoord | leesplank |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van leesplank zijn vastgelegd.