lavabo
zelfstandig naamwoord laˈvaboBetekenis
- (rooms-katholiek) gebed door de priester met een rituele handwassing als onderdeel van de Latijnse mis
- meubel of plaats in een gebouw met voorzieningen om zich te wassen
- nis voor een wasbekken in middeleeuwse gebouwen
- waskom om handen te wassen
- (rooms-katholiek) kom of kan voor de rituele handwassing in de Latijnse mis
- wastafel, wasbak
- toilet
Hoe spreek je lavabo uit?
/laˈvabo/
Lavabo bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| a | maan |
| v | vis |
| b | bak |
| o | boot |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord
- gebed door de priester met een rituele handwassing als onderdeel van de Latijnse mis
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| lavábo | canonical |
zelfstandig naamwoord — masculine
- kom of kan voor de rituele handwassing in de Latijnse mis
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| lavabo's | meervoud |
| lavabootje | verkleinwoord, enkelvoud |
| lavabootjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
o van Latijn lavabo "ik zal wassen", het begin van het gebed in psalm 26:6-12 dat in de Latijnse mis na het offertorium door de priester bij de rituele handwassing wordt gebeden
Woordfamilie van lavabo
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| lavabo's | meervoud | lavabo |
| lavabootje | verkleinwoord | lavabo |
| lavabootjes | verkleinwoord meervoud | lavabo |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van lavabo zijn vastgelegd.