kruit
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een ontplofbaar mengsel in de vorm van een poeder bestaande uit salpeter (kaliumnitraat), zwavel en fijne houtskool.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kruiten | meervoud |
Woordvorm
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kruien
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kruien
- gebiedende wijs meervoud van kruien
Vervoeging van kruit
kruithele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘ontplofbaar mengsel’ voor het eerst aangetroffen in 1376
Woordfamilie van kruit
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kruiten | meervoud | kruit |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kruit zijn vastgelegd.