kruin
zelfstandig naamwoordBetekenis
- het bovenste deel van het hoofd, dat gewoonlijk met haar bedekt is
- het bovenste deel van een boom waar de bladeren zitten
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kruinen | meervoud |
| kruintje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kruintjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘bovenste deel van hoofd’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1350
Woordfamilie van kruin
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kruinen | meervoud | kruin |
| kruintje | verkleinwoord | kruin |
| kruintjes | verkleinwoord meervoud | kruin |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kruin zijn vastgelegd.