kris
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- Indonesische, Maleisische of Filipijnse dolk met dubbele, vaak gegolfde kling waar mystieke krachten aan worden toegeschreven. De kris wordt dikwijls gedragen als teken van gezag of waardigheid.
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- Indonesische, Maleisische of Filipijnse dolk met dubbele, vaak gegolfde kling zn waar mystieke krachten aan worden toegeschreven, dikwijls gedragen als teken van gezag of waardigheid
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| krissen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van krissen
- gebiedende wijs van krissen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van krissen
Vervoeging van kris
krishele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Javaans, in de betekenis van ‘langwerpig steekwapen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1596