kraagstuk
zelfstandig naamwoord ˈkraxstʏkBetekenis
- zinkstuk dat de de oever én de bodem beschermt tegen wegspoelen
Hoe spreek je kraagstuk uit?
/ˈkraxstʏk/
Kraagstuk bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| r | rood |
| a | maan |
| x | acht |
| s | sok |
| t | tak |
| ʏ | put |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- Schuin verbindingsstuk in de driehoek tussen muurstijl, korbeel en sleutelstuk in een balkgebint, tussen dakspoor en gewelfhout of tussen spantbeen en korbeel in een kapconstructie
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kraagstukje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kraagstukjes | verkleinwoord, meervoud |
| kraagstukken | meervoud |
Herkomst
samenstelling van kraag zn en stuk zn
Woordfamilie van kraagstuk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kraagstukje | verkleinwoord | kraagstuk |
| kraagstukjes | verkleinwoord meervoud | kraagstuk |
| kraagstukken | meervoud | kraagstuk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kraagstuk zijn vastgelegd.