koevoet
zelfstandig naamwoordBetekenis
- stevige metalen stang voorzien van een gespleten einde, gebruikt om er zaken mee open te breken
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| koevoeten | meervoud |
| koevoetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| koevoetjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘spaak die eindigt in een klauw’ voor het eerst aangetroffen in 1593
Woordfamilie van koevoet
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| koevoeten | meervoud | koevoet |
| koevoetje | verkleinwoord | koevoet |
| koevoetjes | verkleinwoord meervoud | koevoet |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van koevoet zijn vastgelegd.