koepel
zelfstandig naamwoord ˈkupəlBetekenis
- een gewelf in de vorm van een halve bol of een halve ellipsoïde
- een ruimtelijke figuur, veelvlak
- (in samenstellingen van woorden) een overkoepelend orgaan
Hoe spreek je koepel uit?
/ˈkupəl/
Koepel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| u | boek |
| p | pak |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- een overkoepelend orgaan
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| koepels | meervoud |
| koepeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| koepeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘halfbolvormige overwelving’ voor het eerst aangetroffen in 1600
Woordfamilie van koepel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| koepels | meervoud | koepel |
| koepeltje | verkleinwoord | koepel |
| koepeltjes | verkleinwoord meervoud | koepel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van koepel zijn vastgelegd.