koelkast
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een huishoudelijk apparaat voorzien van een koelinstallatie, waarin men consumptiemiddelen kan plaatsen die koel moeten blijven
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| koelkasten | meervoud |
| koelkastje | verkleinwoord, enkelvoud |
| koelkastjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘kast waarin etenswaar koel gehouden wordt’ voor het eerst aangetroffen in 1938
Woordfamilie van koelkast
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| koelkasten | meervoud | koelkast |
| koelkastje | verkleinwoord | koelkast |
| koelkastjes | verkleinwoord meervoud | koelkast |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van koelkast zijn vastgelegd.