koekoek
zelfstandig naamwoord ˈkukukBetekenis
- naar zijn roep genaamde vogel
Hoe spreek je koekoek uit?
/ˈkukuk/
Koekoek bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| u | boek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- bepaald soort vogel, Cuculus canorus, die zijn jongen door vogels van andere soorten laat grootbrengen
- kleine dakkapel met een spitse kap
- keldergat waar het licht doorheen valt
- glazen kap op bijv. een scheepsdek of dak voor de verlichting en ventilatie van ruimtes die zich eronder bevinden
- duivel euphemistic
- koekoeksklok
- koekoeksbloem
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| koekoeken | meervoud |
| koekoekje | verkleinwoord, enkelvoud |
| koekoekjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
van Middelnederlands coecoec, klanknabootsing van de roep van deze vogel; in de betekenis van ‘koekoekachtige’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van koekoek
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| koekoekje | verkleinwoord | koekoek |
| koekoekjes | verkleinwoord meervoud | koekoek |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van koekoek zijn vastgelegd.