knoest
zelfstandig naamwoordBetekenis
- de plaats waar een zijtak aan de boom groeide, het hout is er minder sterk en moeilijker bewerkbaar, het is dan ook een houtgebrek
- de overgang van stam naar wortel bij een boom
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| knoesten | meervoud |
| knoestje | verkleinwoord, enkelvoud |
| knoestjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘uitwas aan boom’ voor het eerst aangetroffen in 1301
Woordfamilie van knoest
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| knoesten | meervoud | knoest |
| knoestje | verkleinwoord | knoest |
| knoestjes | verkleinwoord meervoud | knoest |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van knoest zijn vastgelegd.