knoedel
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een bal of balletje gemaakt van pastadeeg, aardappeldeeg, brooddeeg of een ander deeg en vaak een mengvorm van de hiervoor genoemde deegsoorten, of van oud brood
- kapsel waarbij het lange haar in een knot gedraaid wordt
- rommelig bolletje draden
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| knoedels | meervoud |
| knoedeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| knoedeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘meelballetje’ voor het eerst aangetroffen in 1778
Woordfamilie van knoedel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| knoedels | meervoud | knoedel |
| knoedeltje | verkleinwoord | knoedel |
| knoedeltjes | verkleinwoord meervoud | knoedel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van knoedel zijn vastgelegd.