knieband
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- pees die een onderdeel vormt van het knie gewricht
- kledingstuk dat bij de knie wordt vastgemaakt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kniebanden | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kniebanden
- gebiedende wijs van kniebanden
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kniebanden
Vervoeging van knieband
kniebandhele werkwoord
Herkomst
samenstelling van knie en band
Woordfamilie van knieband
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kniebanden | meervoud | knieband |
| geknieband | woordvorm | kniebanden |
| kniebandde | woordvorm | kniebanden |
| kniebandden | woordvorm | kniebanden |
| kniebande | woordvorm | kniebanden |
| kniebandend | woordvorm | kniebanden |
| kniebandende | woordvorm | kniebanden |
| kniebandt | woordvorm | kniebanden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van knieband zijn vastgelegd.