kluwen
zelfstandig naamwoordBetekenis
- los om zichzelf opgewonden hoeveelheid wol, garen enz
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kluwens | meervoud |
| kluwentje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kluwentjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘tot een bol opgewonden draad’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240.
Woordfamilie van kluwen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kluwens | meervoud | kluwen |
| kluwentje | verkleinwoord | kluwen |
| kluwentjes | verkleinwoord meervoud | kluwen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kluwen zijn vastgelegd.