klauwier
zelfstandig naamwoordBetekenis
- geslacht van vleesetende(!) zangvogels met haaksnavel, die de gewoonte hebben hun prooi te spietsen op puntige uiteinden om zo een voorraad aan te leggen
zelfstandig naamwoord — masculine
- Lanius geslacht van vleesetende(!) zangvogels met haaksnavel, die de gewoonte hebben hun prooi te spietsen op puntige uiteinden om zo een voorraad aan te leggen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| klauwieren | meervoud |
| klauwiertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| klauwiertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘zangvogel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1762
Woordfamilie van klauwier
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| klauwiertje | verkleinwoord | klauwier |
| klauwiertjes | verkleinwoord meervoud | klauwier |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van klauwier zijn vastgelegd.