klapstuk
zelfstandig naamwoordBetekenis
- stuk rundvlees van de borst of klaprib zeer populair ingrediënt in hutspot en hete bliksem
- hoogtepunt van een vertoning
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| klapstukje | verkleinwoord, enkelvoud |
| klapstukjes | verkleinwoord, meervoud |
| klapstukken | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘vlees van de klapribben, de korte ribben van geslacht vee’ voor het eerst aangetroffen in 1746
Woordfamilie van klapstuk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| klapstukje | verkleinwoord | klapstuk |
| klapstukjes | verkleinwoord meervoud | klapstuk |
| klapstukken | meervoud | klapstuk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van klapstuk zijn vastgelegd.