kiosk
zelfstandig naamwoordBetekenis
- klein vrijstaand winkeltje waar men snoep, koffie, kranten en tijdschriften kan kopen
- kiosk (een vrijstaand gebouwtje met verkoop van kiosktypische waren)
- een vrijstaand gebouwtje gebouw met een ingebouwde winkel die kiosktypische waren verkoopt
- een vrijstaand gebouwtje met andere functie
- een gebouw met een ingebouwde winkel die kiosktypische waren verkoopt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kiosken | meervoud |
| kioskje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kioskjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘verkoopstalletje’ voor het eerst aangetroffen in 1885
Woordfamilie van kiosk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kiosken | meervoud | kiosk |
| kioskje | verkleinwoord | kiosk |
| kioskjes | verkleinwoord meervoud | kiosk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kiosk zijn vastgelegd.