kerststuk
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een bloemstuk dat vooral in de maand december voor kerstmis wordt vervaardigd en in huis geplaatst als versiering of tafeldecoratie bij een kerstdiner
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kerststukje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kerststukjes | verkleinwoord, meervoud |
| kerststukken | meervoud |
Herkomst
samenstelling van kerst en stuk
Woordfamilie van kerststuk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kerststukje | verkleinwoord | kerststuk |
| kerststukjes | verkleinwoord meervoud | kerststuk |
| kerststukken | meervoud | kerststuk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kerststuk zijn vastgelegd.