kerkenraad
zelfstandig naamwoordBetekenis
- college van ouderlingen en diakenen, de predikant, en soms kerkvoogden dat het toezicht heeft over een protestantse kerkelijke gemeente
- vergadering van bovengenoemden
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kerkenraadje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kerkenraadjes | verkleinwoord, meervoud |
| kerkenraden | meervoud |
| kerkeraad, kerkraad |
Herkomst
samenstelling van kerk en raad met het invoegsel -en-
Woordfamilie van kerkenraad
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kerkenraadje | verkleinwoord | kerkenraad |
| kerkenraadjes | verkleinwoord meervoud | kerkenraad |
| kerkenraden | meervoud | kerkenraad |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kerkenraad zijn vastgelegd.