kerkbezoek
zelfstandig naamwoordBetekenis
- bezoek aan een kerk voor de godsdienstoefening
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kerkbezoeken | meervoud |
| kerkbezoekje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kerkbezoekjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van kerk zn en bezoek zn
Woordfamilie van kerkbezoek
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kerkbezoeken | meervoud | kerkbezoek |
| kerkbezoekje | verkleinwoord | kerkbezoek |
| kerkbezoekjes | verkleinwoord meervoud | kerkbezoek |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kerkbezoek zijn vastgelegd.