kastelein
zelfstandig naamwoordBetekenis
- de plaatsvervanger van de kasteelheer in het beheer van het kasteel
- een belangrijke ambtenaar die in dienst stond van de landheer en optrad in de rechtspraak en bestuur
- een kroeg- of herberguitbater
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kasteleins | meervoud |
| kasteleintje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kasteleintjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘caféhouder’ voor het eerst aangetroffen in 1733
Woordfamilie van kastelein
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kasteleins | meervoud | kastelein |
| kasteleintje | verkleinwoord | kastelein |
| kasteleintjes | verkleinwoord meervoud | kastelein |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kastelein zijn vastgelegd.