kassa
zelfstandig naamwoord ˈkɑsaBetekenis
- een plaats in een winkel waar men zijn aankopen betaalt
- een plaats in een theater waar men zijn tickets reserveert of betaalt
- een machine in een winkel om van een klant ontvangen geld te registreren en te bewaren
- kassa
Hoe spreek je kassa uit?
/ˈkɑsa/
Kassa bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɑ | bad |
| s | sok |
| a | maan |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kassa's | meervoud |
| kassaatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kassaatjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Italiaans, in de betekenis van ‘loket’ voor het eerst aangetroffen in 1914
Woordfamilie van kassa
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kassa's | meervoud | kassa |
| kassaatje | verkleinwoord | kassa |
| kassaatjes | verkleinwoord meervoud | kassa |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kassa zijn vastgelegd.