kapitaal
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- groot bedrag
- rentegevend bezit, vermogen
- fonds, benodigd voor een onderneming of zaak
- de derde productiefactor naast natuur en arbeid, bestaande in de gezamenlijke productiemiddelen
- de bezitters van de productiemiddelen, de kapitalisten
- bedrag dat door de eigenaar(s) van een zaak is gestort
- sierrandje boven- en onderaan de rug van een gebonden boek
- hoofdletter, grote letter
- van de hoogste rang, van de grootste soort
- voortreffelijk, kostelijk
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kapitaaltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kapitaaltjes | verkleinwoord, meervoud |
| kapitalen | meervoud |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kapitaaltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kapitaaltjes | verkleinwoord, meervoud |
| kapitalen | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘vermogen’ voor het eerst aangetroffen in 1567
Woordfamilie van kapitaal
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kapitaals | woordvorm | kapitaal |
| kapitaalst | woordvorm | kapitaal |
| kapitaalste | woordvorm | kapitaal |
| kapitaaltje | verkleinwoord | kapitaal |
| kapitaaltjes | verkleinwoord meervoud | kapitaal |
| kapitale | woordvorm | kapitaal |
| kapitalen | meervoud | kapitaal |
| kapitaler | woordvorm | kapitaal |
| kapitalere | woordvorm | kapitaal |
| kapitalers | woordvorm | kapitaal |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kapitaal zijn vastgelegd.