kansel
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een kerkelijk, meestal verhoogd, meubelstuk waarvanaf de voorganger in de dienst zijn preek uitspreekt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kansels | meervoud |
| kanseltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kanseltjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘preekstoel’ voor het eerst aangetroffen in 1599
Woordfamilie van kansel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kansels | meervoud | kansel |
| kanseltje | verkleinwoord | kansel |
| kanseltjes | verkleinwoord meervoud | kansel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kansel zijn vastgelegd.