kampweek
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een vakantieweek op een vaste plaats voor een groep
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kampweekje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kampweekjes | verkleinwoord, meervoud |
| kampweken | meervoud |
Herkomst
samenstelling van kamp zn en week zn
Woordfamilie van kampweek
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kampweekje | verkleinwoord | kampweek |
| kampweekjes | verkleinwoord meervoud | kampweek |
| kampweken | meervoud | kampweek |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kampweek zijn vastgelegd.