kamergenoot
zelfstandig naamwoordBetekenis
- iemand met wie iemand de kamer deelt als woonruimte
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kamergenootje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kamergenootjes | verkleinwoord, meervoud |
| kamergenoten | meervoud |
Herkomst
samenstelling van kamer en genoot
Woordfamilie van kamergenoot
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kamergenootje | verkleinwoord | kamergenoot |
| kamergenootjes | verkleinwoord meervoud | kamergenoot |
| kamergenoten | meervoud | kamergenoot |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kamergenoot zijn vastgelegd.