kaasschaaf
zelfstandig naamwoord ˈkasxafBetekenis
- een gebruiksvoorwerp waarmee een dun plakje van een stuk kaas kan worden gesneden
Hoe spreek je kaasschaaf uit?
/ˈkasxaf/
Kaasschaaf bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| a | maan |
| s | sok |
| x | acht |
| f | fiets |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kaasschaafje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kaasschaafjes | verkleinwoord, meervoud |
| kaasschaven | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘schaaf om plakjes van kaas te snijden’ voor het eerst aangetroffen in 1950
Woordfamilie van kaasschaaf
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kaasschaafje | verkleinwoord | kaasschaaf |
| kaasschaafjes | verkleinwoord meervoud | kaasschaaf |
| kaasschaven | meervoud | kaasschaaf |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kaasschaaf zijn vastgelegd.