jool
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- pret, feest
- kerst; de periode van kerstavond tot en met tweede kerstdag
- joelfeest; Germaans feest, gevierd in de dagen rond de winterzonnewende
- Christfest, juulfeest, juultyd, kaarst, käärstmissen, karsemes, karst, kärst, karsttied, kas, kasfees, kast, kastdaegen, kastfeest, kastmis, kerst, kìrst,kìrsttied, midwinter, mirreweenter, Wiehnacht, Wiehnachten, Wiehnachtstied, wienachten, wienachtstied
- Juulfest, midwinter
- kas, kasfees, mirreweenter
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| jolen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van jolen
- gebiedende wijs van jolen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van jolen
Vervoeging van jool
joolhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘pret, feest’ voor het eerst aangetroffen in 1852
Woordfamilie van jool
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| jolen | meervoud | jool |
| gejoold | woordvorm | jolen |
| jole | woordvorm | jolen |
| jolend | woordvorm | jolen |
| jolende | woordvorm | jolen |
| joolde | woordvorm | jolen |
| joolden | woordvorm | jolen |
| joolt | woordvorm | jolen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van jool zijn vastgelegd.