iris
zelfstandig naamwoord ˈirɪsBetekenis
- een orgaan in het oog van vele organismen, waaronder de mens, dat als een diafragma werkt en de hoeveelheid tot het oog toegelaten licht regelt
- een plant met een opvallende, vaak blauwe of gele bloem van het geslacht Iris
- regenboogvlies
Hoe spreek je iris uit?
/ˈirɪs/
Iris bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| i | riet |
| r | rood |
| ɪ | pit |
| s | sok |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- orgaan in het oog van vele organismen, waaronder de mens, dat als een diafragma werkt en de hoeveelheid tot het oog toegelaten licht regelt
- benaming voor planten uit het geslacht Iris met een opvallende, vaak blauwe of gele bloem
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| irisje | verkleinwoord, enkelvoud |
| irisjes | verkleinwoord, meervoud |
| irissen | meervoud |
Herkomst
eponiem via Latijn Iris van Oudgrieks Ἶρις (Iris), in de Griekse mythologie de vrouwelijke boodschapper van de goden en de verpersoonlijking van de regenboog **[1]: vanwege de vele kleuren die dit orgaan kan hebben **[2]: via Frans iris, in de betekenis van ‘plantengeslacht’ aangetroffen vanaf 1608
Woordfamilie van iris
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| irisje | verkleinwoord | iris |
| irisjes | verkleinwoord meervoud | iris |
| irissen | meervoud | iris |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van iris zijn vastgelegd.