intern
bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- binnen, inwendig
bijvoeglijk naamwoord
- aan de binnenkant, inwendig
- Een interne verteller maakt als personage deel uit van de geschiedenis. Grammaticaal wordt hij of zij meestal opgevoerd in de eerste persoon.
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| interne | verbogen, stellende trap |
| interner | onverbogen, vergrotende trap |
| internere | verbogen, vergrotende trap |
| interners | partitief, vergrotende trap |
| interns | partitief, stellende trap |
| internst | onverbogen, overtreffende trap |
| internste | verbogen, overtreffende trap |
Herkomst
Van Frans interne bn . In de betekenis van ‘inwendig’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1722
Woordfamilie van intern
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| interne | verbogen vorm | intern |
| interner | vergrotende trap | intern |
| interners | partitieve vergrotende trap | intern |
| interns | partitive, positive | intern |
| internst | uninflected, superlative | intern |
| internste | inflected, superlative | intern |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van intern zijn vastgelegd.