instrumentarium
zelfstandig naamwoordBetekenis
- de voor een bepaald doel benodigde gezamenlijke instrumenten
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| instrumentaria | meervoud |
| instrumentariumpje | verkleinwoord, enkelvoud |
| instrumentariumpjes | verkleinwoord, meervoud |
| instrumentariums | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het modern Latijn, in de betekenis van ‘stel instrumenten’ voor het eerst aangetroffen in 1908
Woordfamilie van instrumentarium
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| instrumentaria | meervoud | instrumentarium |
| instrumentariumpje | verkleinwoord | instrumentarium |
| instrumentariumpjes | verkleinwoord meervoud | instrumentarium |
| instrumentariums | meervoud | instrumentarium |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van instrumentarium zijn vastgelegd.