inductor
zelfstandig naamwoord ɪnˈdʏktɔrBetekenis
- wikkeling van stroomdraad die leidt tot een wisselwerking tussen elektrische stroom en een magnetisch veld
- apparaat waarin twee spoelen worden gebruikt om hoge spanningen op te wekken
- stof die het aflezen van de genetische informatie beïnvloedt en er zo voor zorgt dat lichaamscellen zich in een bepaalde richting ontwikkelen
- specifiek voorwerp of situatie dat bij iemand bepaalde gedachten of mentale vermogens oproept
- spoel
Hoe spreek je inductor uit?
/ɪnˈdʏktɔr/
Inductor bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɪ | pit |
| n | nek |
| d | dak |
| ʏ | put |
| k | kat |
| t | tak |
| ɔ | bot |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| inductoren | meervoud |
Herkomst
van middeleeuws Latijn inductor, afgeleid van inducere "o.m. binnenbrengen, invoeren, opwekken" met het achtervoegsel -tor
Woordfamilie van inductor
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| inductoren | meervoud | inductor |
| inductors | meervoud | inductor |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inductor zijn vastgelegd.