imperatief
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- de vorm waarin een werkwoord gebruikt wordt als iets zeker gedaan moet worden
- gebiedend
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| imperatieven | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘gebiedende wijs’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1576
Woordfamilie van imperatief
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| imperatiefs | woordvorm | imperatief |
| imperatiefst | woordvorm | imperatief |
| imperatiefste | woordvorm | imperatief |
| imperatieve | woordvorm | imperatief |
| imperatieven | meervoud | imperatief |
| imperatiever | woordvorm | imperatief |
| imperatievere | woordvorm | imperatief |
| imperatievers | woordvorm | imperatief |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van imperatief zijn vastgelegd.