immuniteit
zelfstandig naamwoordBetekenis
- onvatbaarheid voor een ziekte
- onschendbaarheid m.b.t. bepaalde wetten
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| immuniteiten | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘niet-onderworpen zijn aan wetten, onvatbaarheid’ voor het eerst aangetroffen in 1545
Woordfamilie van immuniteit
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| immuniteiten | meervoud | immuniteit |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van immuniteit zijn vastgelegd.