ijswinter
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een winter die zo koud is dat men op natuurijs kan schaatsen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ijswinters | meervoud |
| ijswintertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| ijswintertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van ijs zn en winter zn
Woordfamilie van ijswinter
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ijswinters | meervoud | ijswinter |
| ijswintertje | verkleinwoord | ijswinter |
| ijswintertjes | verkleinwoord meervoud | ijswinter |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ijswinter zijn vastgelegd.