huls
zelfstandig naamwoordBetekenis
- omhulsel of koker bij munitie waarbij de huls het kruit bevat
- tweekleppige vrucht zonder middenschot zoals bij een peul
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| hulsje | verkleinwoord, enkelvoud |
| hulsjes | verkleinwoord, meervoud |
| hulzen | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘koker’ voor het eerst aangetroffen in 1542
Woordfamilie van huls
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hulsje | verkleinwoord | huls |
| hulsjes | verkleinwoord meervoud | huls |
| hulzen | meervoud | huls |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van huls zijn vastgelegd.