huisschilder
zelfstandig naamwoordBetekenis
- iemand die beroepsmatig schilderwerken aan en in gebouwen uitvoert
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| huisschilders | meervoud |
| huisschildertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| huisschildertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van huis en schilder
Woordfamilie van huisschilder
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| huisschilders | meervoud | huisschilder |
| huisschildertje | verkleinwoord | huisschilder |
| huisschildertjes | verkleinwoord meervoud | huisschilder |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van huisschilder zijn vastgelegd.