huismuur
zelfstandig naamwoordBetekenis
- de buitenmuren van een gebouw waarin mensen woont
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| huismuren | meervoud |
| huismuurtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| huismuurtjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van huis zn en muur zn
Woordfamilie van huismuur
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| huismuren | meervoud | huismuur |
| huismuurtje | verkleinwoord | huismuur |
| huismuurtjes | verkleinwoord meervoud | huismuur |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van huismuur zijn vastgelegd.